| |
|
| |
Ons opvoedingsproject
|
|
| |
1. Opvoeden
Het onderwijs in het Sint-Jozefinstituut wil onze leerlingen genoeg theoretische en praktische bagage meegeven om ze sociaal weerbaar te maken in de wereld buiten de school. Het hoofddoel van ons onderwijs is echter opvoeding : het vormen van eerlijke en zelfstandige mensen. We roepen onze leerlingen op tot inzet en verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van een menswaardige samenleving, in christelijke zin. We willen hen begeleiden naar volwassenheid. Hieronder verstaan we : tot vrijheid komen, zelfstandigheid verwerven een eigen oordeel kunnen vormen, niet blijven hangen in onmiddellijke behoeftebevrediging, mens worden voor anderen, maatschappelijke verantwoordelijkheid kunnen dragen.
1.1 van jongeren
Hierbij hebben jongeren hulp nodig. Begeleiding is noodzakelijk maar niet zo dat jongeren enkel maar moeten volgen en uitvoeren. Er moet een sterk interactieproces bestaan tussen opvoeders en jongeren. Hierin zijn de jongeren het uitgangspunt en de belangrijkste pool in hun eigen ontwikkeling. De inbreng van de jongere is erg belangrijk. Hij mag initiatief nemen; hij is waardevol zoals hij is. Daarom proberen we zoveel mogelijk leerling-gericht te werken en oog te hebben voor leerlingbegeleiding.
1.2 in de groei van hun leven
Binnen het opvoedingsproces moet er dus aandacht zijn voor die factoren die deze jongeren - reeds vanaf hun geboorte - mee bepaald hebben : de invloed van het gezin, van de familie, de school en het hele sociale milieu.Jongeren die opgevoed worden, zijn in de groei van hun leven. De vele mogelijkheden en vaardigheden in die jonge mensen, hun drang naar zelfstandigheid, hun verlangen om stilaan op eigen benen te staan, moeten onderkend en aanvaard worden. We moeten durven geloven dat in iedere jongere iets goeds aanwezig is, er een aansprekingsniveau bestaat, er een belofte, een toekomst is.
1.3 In een dynamische cultuur
We moeten beseffen dat de leefwereld van de jongere altijd anders zal zijn dan de leefwereld van de volwassene. Jongeren zijn vandaag niet zomaar onder één noemer te vatten. Hun cultuur is permanent in beweging. Om hen te blijven begrijpen, zal het dan ook een constante zorg zijn van onze opvoedingsgemeenschap voeling te houden met de leefwereld van jonge mensen. Ook moet men oog hebben voor de groepsprocessen en -wetmatigheden die meespelen in het gedrag van de jongeren zelf en van de groep waarin ze leven. Daarbij wordt de tijdgeest vaak als een probleem ervaren, omdat soms fundamentele waarden in vraag worden gesteld; Er groeit een crisissfeer in onze samenleving, niettegenstaande de ongelooflijke technische en materiële ontwikkelingen. Die crisissfeer wordt gevoed door : de angst voor de toekomst, het toenemend geweld in de wereld, de dreigende overheersing van een onpersoonlijk machtsapparaat, de steeds meer opduikende corruptie, de verafgoding van het eigen ik, enz. Toch zijn er ook positieve gevoeligheden die zichtbaar worden : de zorg voor de natuur, het opkomen voor de vrede, de solidariteit met de zwaksten. Deze kunnen echter niet beletten dat de jongeren van vandaag duidelijk geremd worden in hun ontwikkeling. Bewust en onbewust laten ze zich vaak leiden door negatieve invloeden op psychisch, moreel en sociaal vlak.
1.4 tot mensen met een ruggengraat
Vanuit deze gegevenheid moeten in onze opvoeding dan ook specifieke doelstellingen geformuleerd worden. Innerlijke weerbaarheid en sterk sociaal gerichte solidariteit en een ethiek van verbondenheid zullen meer dan ooit nodig zijn. Daarnaast zullen we de jongeren bewust moeten maken en bevrijden van de onwaarden in de samenleving.
2. Opvoeden in een persoonlijke relatie
Op het Sint-Jozefinstituut moeten jongeren kunnen opgroeien in een persoonlijke relatie op basis van vertrouwen. Deze persoonlijke relatie is fundamenteel. De opvoeder kan daarom geen dominerend of autoritair figuur zijn maar iemand die wil werken vanuit inzicht, dialoog, overtuiging, begeleiding. De activiteit van de opvoeder is in de eerste plaats een direct voorleven en een getuigen van de waarden die hij voorstaat. Hij moet een model zijn waaraan de leerlingen zich kunnen optrekken. In hun relatie met leerkrachten moeten zij echte menselijke warmte vinden om zich van daaruit te kunnen ontplooien tot liefdevolle mensen met een persoonlijke mening en een creatief aanpassingsvermogen. Onze opvoeding moet eerder een preventief dan wel een repressief karakter hebben. We moeten vooral mogelijkheden creëren waarbinnen jongeren positieve ervaringen kunnen opdoen en levenskansen kunnen grijpen. Het opvoedingsklimaat binnen het Sint-Jozefinstituut moet naar ons gevoelen zoveel mogelijk lijken op de onderlinge verbondenheid in een goede familie. Sint Jozef is tenslotte het voorbeeld bij uitstek van een goede huisvader. Dit familieklimaat en de betrokkenheid van de opvoeder op de jongeren moeten zich uiten in de geïnteresseerde nabijheid van de opvoeder bij de jongeren. Hierin voelen zij immers de echte belangstelling en liefde van de opvoeder voor hun eigen leven. Het hele opvoedkundig gebeuren moet de stempel dragen van hartelijkheid, redelijkheid en geloof. Ter aanvulling en correctie bij het voorgaande moeten we stellen dat in onze school de opvoeding in gemeenschap verloopt. Er moeten daarom bij de individuele jongere een minimum aan opvoedingskansen binnen een normaal groepsverband aanwezig zijn. We moeten - tot onze spijt - soms durven toegeven dat niet iedereen door zulk een aanpak geholpen kan worden, zelfs niet na een intense samenwerking met externe begeleiders en/of vertrouwenspersonen. Die jongeren moeten we dan doorverwijzen naar instellingen waar het opvoedingsproject nauwer aansluit bij hun specifieke noden en bekwaamheden.
3. Opvoeden is voeding geven
De uitbouw van elk opvoedingsproject vraagt van iedere opvoeder en van de hele opvoedingsgemeenschap een grote toewijding. Van hen wordt een gave van de hele persoon, zorgzame bewogenheid, verbeeldingskracht en doorzetting verwacht. Dit begint met kleine dingen : stiptheid, correctheid en eerlijkheid naar leerlingen toe. Streng zijn maar de leerlingen nooit benadelen, steeds voor je eigen mening uitkomen maar de leerlingen nooit kwetsen in je reacties, ... De grote opvoedingspunten komen dan vanzelf aan bod. Bovendien is er in een snel veranderende wereld, ook in het opvoedingswerk, nood aan soepelheid, aanpassing en wakkerheid van geest enerzijds maar ook aan volharding, duidelijkheid en innerlijkheid anderzijds. Elke opvoeder moet blijvend oog hebben voor het feit dat het in de opvoeding vooral gaat om de gave van zichzelf. De technische bekwaamheid en een zakelijke functionele aanpak, die in onze tijd terecht vereist worden, mogen toch niet doen vergeten dat opvoedingswerk op de eerste plaats een dienst aan mensen is, een zaak van het hart waarbij zowel opvoeder als de jongeren centraal staan. Onze pedagogische handelwijze zou moeten gekenmerkt worden door volgende drie kernwoorden : hartelijkheid, redelijkheid, geloof.
3.1 aan hartelijkheid
De hartelijkheid van de opvoeder geeft aan dat hij aan opvoeding wil doen vanuit een diepmenselijke betrokkenheid. Het kan niet dat deze hartelijkheid alleen maar aanwezig is als een welwillendheid naar de jongeren toe, diep in het hart van de opvoeder. Zij moet voelbaar worden voor de jongeren en als zodanig ervaren worden. Dan voelen de jongeren de pedagogische zorg van de opvoeder als een opwekkende kracht. De jongeren beantwoorden de ontvangen hartelijkheid dan met een persoonlijk respect. Op die wijze ontstaat er een persoonlijke relatie en zonder deze is geen opvoeding mogelijk.
3.2 aan redelijkheid
Redelijkheid leunt aan bij gezond verstand. De redelijkheid vermijdt gezochte complicaties en draagt vooral zorg voor het gewone, het spontane en natuurlijke in de omgang met jongeren. Die redelijkheid doet opvoeders ook rekening houden met de beginsituatie. Het is immers niet redelijk de eigen mogelijkheden van de jongeren niet te verrekenen in het pedagogisch handelen. Vandaar dat opvoeders er zich steeds van bewust moeten blijven dat opvoeden een geleidelijk proces is, dat stap voor stap verloopt. Daarom ook stellen zij geen eisen en normen die voor de jongeren te hoog liggen. Bovendien verloopt dat opvoedingsproces niet voor ieder kind gelijk. Omdat op school steeds in groepsverband aan opvoeding gedaan wordt, zal de leraar met die differentiatie rekening moeten houden en zijn benaderingsmethode ook moeten differentiëren. De opvoeders zijn ook steeds bereid hun pedagogisch handelen en optreden toe te lichten en te verantwoorden tegenover de jongeren. Via de redelijkheid moet ook de hartelijkheid bijgestuurd worden. Het is niet omdat jongeren zich ergens goed voelen dat het ook hun uiteindelijke positieve ontwikkeling ten goede komt. Met gezond verstand helpt de opvoeder de jongeren bij het ontdekken van de juiste waardenschaal, het maken van keuzes en bij het omgaan met gevoelens. De redelijkheid zet de opvoeder ertoe aan de jongeren te behoeden voor schadelijke invloeden die hun zelfwording en hun geluk in de weg staan. Dit kan soms een "neen" van de opvoeder inhouden op één of andere vraag of verlangen van de jongeren.
3.3 aan geloof
Opvoeden in een christelijke school is opvoeden als gelovige tot gelovige. Opvoeden is meer dan een job, een hobby of een vanzelfsprekend talent. Het is een roeping, een zich door God aangesproken weten om te leven en te werken voor het geluk van jonge mensen. Vanuit de concrete realiteit moet al dadelijk gesteld worden dat niet iedere opvoeder tot een gelovige levenshouding is gegroeid of deze gelovige ondergrond van het bestaan even sterk onderschrijft. Toch blijft het een belangrijk streefdoel in het verwezenlijken van een gelovig opvoedingsproject. Het is vooral belangrijk dat men tegenover de gelovige dimensie van het bestaan geen verstoppertje speelt én geen neutraal standpunt inneemt.
4. Opvoeden is teamwork
Waar men zich met zijn totale persoonlijkheid engageert, is men gevoelig voor de resultaten van zijn werk. Te gemakkelijk wordt het persoonlijk waardegevoel en het geluk gekoppeld aan duidelijk aanwijsbare successen. Dit is voor de leraar niet weggelegd. Hij moet weten en aanvaarden dat de vruchten van een opvoeding een lange rijpingstijd nodig hebben. Een opvoeder staat daarin niet alleen. Anderen zullen hem helpen. Het is daarom nodig dat hij hulp en leiding aanvaardt, dat hij zich door anderen laat bevragen over doen en laten, dat hij kritiek aanvaardt. De overtuiging in zijn opvoedingstaak steeds te mogen en te kunnen bijleren, is enerzijds een grote geruststelling en anderzijds een blijvend appél het inderdaad ook te doen. Een stuk persoonlijk engagement brengt onvermijdelijk ogenblikken van spanning en ontmoediging mee, dagen waarop men het niet meer ziet zitten en wil afhaken. Op die ogenblikken is er een grote nood aan collega's die begrijpend en bevestigend aanwezig zijn. Zo'n gemeenschap van collega's is niet vanzelf ontstaan. Ze zal bewust verder gecultiveerd moeten worden door allerlei activiteiten en impulsen. Respect, interesse en waardering voor elkaar en elkaars werk zijn zeker nodig. Warme menselijkheid en luisterbereidheid zijn onontbeerlijk. Deze waarden gedijen maar als men zich niet laat inpalmen door eigen bezigheden maar oog heeft voor wat anderen realiseren en gelukkig is om de kwaliteiten en het welslagen van anderen.
5. Conclusie
Dialoog en samenwerking zijn noodzakelijk. Slechts met inbreng van allen kan een opvoedingsproject goed opgebouwd worden. Overleg- en inspraakorganen kunnen hierbij helpen, maar vooral informele contacten en respect zijn zeer belangrijk.
|
|
| |
<< vorige |
|
volgende >>
|
|
|
|
Vanaf 1/9/2010 neemt mevr. Rit Melis het roer over als directrice van onze school.

Elektronische
leeromgeving
|
|